Wij zijn ANBI

Als het kon schafte ik ontwikkelingshulp af
Friday 02 November 2007

minister ontwikkelingssamenwerking Bert KoendersDe politisering van het donorveld noopt juist tot aanscherping van het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking. En niet tot afschaffing, zegt minister Bert Koenders in een reactie op eerdere artikelen over ontwikkelingssamenwerking.

‘De functie van minister voor Ontwikkelingssamenwerking kan vervallen’ schreef Ferdinand van Dam provocerend in deze krant (Opinie & Debat, 27 oktober). Hulp is meer en meer deel geworden van een wereldwijde grondstoffenoorlog, vooral door de bestorming van het klassieke donorveld door China en India. Van Dam meent dat de Nederlandse hulpstroom in z’n geheel kan worden overgeheveld naar de multilaterale instellingen zoals de Wereldbank, die minder bureaucratisch en meer vraaggestuurd te werk zouden gaan. Bovendien zouden onze euro’s voor ontwikkelingslanden vooral ten goede moeten komen aan de allerarmsten. Een week eerder werd dat laatste ook betoogd door een aantal ontwikkelingseconomen (NRC Handelsblad, 20 oktober).


Zelden ben ik het meer eens geweest met een analyse van de ontwikkelingen in de hulpindustrie en in de wereld. Maar ook zelden was ik het meer oneens met een aantal van de conclusies die getrokken worden.

Als de mondiale kapitaalmarkt, het internationale handelsverkeer en de verdelingsmechanismen van welvaarts-, klimaat- en veiligheidsrisico’s optimaal functioneren, zal ik de eerste zijn die pleit voor opheffing van de functie van minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De realiteit is helaas een andere. Globalisering maakt de wereld kleiner en rijker. Afrika groeit economisch met 6 procent en private investeringen nemen toe. Eindelijk goed nieuws. Maar tegelijk nemen de ongelijkheden toe, zo blijkt uit de meest gezaghebbende studies. Meer dan 2,5 miljard mensen moeten rondkomen van minder dan twee dollar per dag. De negatieve aspecten van globalisering en klimaatverandering en de politisering van het donorveld nopen juist tot aanscherping van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Niet tot een afschaffing. Wekelijks merk ik dat in de Trêveszaal, in de vergaderzalen van de Wereldbank en de Verenigde Naties en bovenal in de ontwikkelingslanden zelf. Ontwikkelingssamenwerking is politiek onontbeerlijk – een blijvend gevecht voor het scheppen van gelijke kansen voor de ‘bottom billion’ , die in de radicaal veranderende internationale arbeidsdeling nauwelijks toegang heeft tot krediet, arbeid of onderwijs. Daar hoort wat mij betreft bij dat moderne ontwikkelingssamenwerking verder ‘ontbureaucratiseert’ en de verantwoording van de hulp in ontwikkelingssamenwerking zelf veel sterker wordt.

Ontwikkelingssamenwerking opereert op het terrein van de drie grote vragen van deze tijd. Die van armoede en kansen op welvaart en welzijn; armoede en verdeling van milieugebruiksruimte; en armoede en verdeling van veiligheid. Hierin investeren is natuurlijk niet de enige, maar wel één van de van de meest zinvolle investeringen in een wereld van toenemende politieke, economische en culturele scheidslijnen.

De internationale markt kent feilen die zorgen voor economische en veiligheidsrisico’s voor mensen daar en hier. Ontwikkelingssamenwerking belegt daarin, met middelen die erop gericht zijn de meest kwetsbaren te helpen op eigen benen te staan. Dat doen we van iets minder dan één cent per euro die we hier verdienen. Een zaak van solidariteit én van welbegrepen eigenbelang.

Hoe hulp helpt, effectieve samenwerking tot stand komt en corruptie wordt verkleind weten we steeds beter uit tal van evaluaties. Ontwikkelingssamenwerking professionaliseert, maar kan niet geïsoleerd opereren. Dit kabinet werkt intensief samen, ook op terreinen van handel, milieu en veiligheid. De hefboom van ontwikkelingssamenwerking wordt verder verlengd in de samenwerking met organisaties en bedrijven: ontwikkelingssamenwerking uit het schuttersputje, zoals bij het opzetten van een private ziektekostenverzekering in Nigeria, een lokaal valutafonds voor Afrika en nieuwe kredietvormen voor het lokale MKB.

Van de Nederlandse hulp wordt het leeuwendeel uitgegeven in landen die een redelijk bestuur kennen. Dat blijft zo en dat levert goede resultaten op. Maar resultaatgerichtheid mag niet resulteren in een keuze voor slechts die landen waarvan we vooraf met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen zeggen dat alle interventies succesvol zullen zijn. In fragiele staten zijn de achterstanden bij het bereiken van de zogenoemde Millenniumdoelstellingen veruit het grootst. Dat is dan ook – naast vrouwenrechten, klimaat en economische groei en verdeling – één van mijn vier prioriteiten voor de komende vier jaar.

In de afgelopen weken is ook in deze krant zowel steun als kritiek uitgesproken voor die benadering. Conflicten tussen 1990 en 2005 kostten Afrika zo’n 300 miljard dollar, becijferde het rapport ‘Africa’s Missing Billions’. Door een oorlog, burgeroorlog of opstand slinkt de Afrikaanse economie gemiddeld met 15 procent. Landen vallen na een tijd van relatieve rust vaak weer terug in conflict. Investeren in dat soort gebieden is dus verstandig, maar niet zonder risico’s. Het vergt scherp kiezen wat we kunnen doen. Daartoe moet je – zoals Filip Reyntjens in deze krant schreef – zeker weten dat de overheid die staatsopbouw ook echt wil. Dictators, terroristen en corrupte politici zullen van mij geen cent ontvangen. Maar ik ben ertegen hele landen uit te sluiten. Het gaat om het ondersteunen van positieve ontwikkelingen. Tijdens de burgeroorlog in Mozambique vielen duizenden doden, maar daarna was het land in staat met goede internationale samenwerking er zelf bovenop te komen. Fragiliteit is gelukkig geen eeuwig gegeven.

Ontwikkelingseconoom Hoebink uitte zijn zorg over het budget dat ons voor deze uitdaging in fragiele staten ter beschikking staat. Voor regionale stabiliteit en crisisbeheersing staat dit jaar een bedrag van 312 miljoen euro op de begroting, ten behoeve van de wederopbouw van landen als Soedan, Burundi en Afghanistan. Daar komen in de komende jaren miljoenen euro extra bij. Natuurlijk, de noden zijn nog groter, maar er moet ook voldoende capaciteit zijn om te garanderen dat het op de juiste plek terechtkomt en goede ontwikkelingsdiplomatie wordt gevoerd.

Meer geld alleen is dus niet voldoende. Meer menskracht, samenwerking en flexibiliteit in mijn organisatie kunnen helpen om de risico’s van het werken in fragiele staten te verkleinen. En kunnen ontwikkelingshulp stukken efficiënter maken. De laatste jaren werkten klassieke donoren al steeds meer samen om de bureaucratie te verkleinen, zodat ontvangende landen niet langer voor elke hulpgever apart hun rapportagekunsten hoeven te vertonen. Ik ben het echter niet eens met het radicale voorstel van Van Dam om onze gelden in een klap over te maken aan de Wereldbank. Uit mijn bezoek aan de Jaarvergadering van de Werelbank blijkt dat nog veel verbeterd kan worden bij deze organisatie. En dat juist de inzet van een aantal gelijkgezinde ministers voor Ontwikkelingssamenwerking broodnodig is om de Bank te hervormen tot een instelling die dicht bij zijn klanten staat, vraaggestuurd werkt en daadwerkelijk is gericht op de belangrijkste problemen van deze tijd.

Inperking van het aantal partnerlanden maakt het bovendien mogelijk de aandacht te richten op de landen die het armst zijn. In een land als Kaapverdië bijvoorbeeld, is het gemiddelde inkomen inmiddels acht keer zo hoog als in Congo of Burundi. De kritiek van Patrick Chabal ten spijt, wordt de klassieke hulprelatie met Kaapverdië omgezet in een verbrede economische relatie met de EU. Ik vind dit een prachtvoorbeeld van een land dat de armoedegrens is ontgroeid en in staat kan worden wordt geacht zorg te dragen voor de eigen ontwikkeling.

In de afgelopen jaren zijn de geldstromen naar ontwikkelingslanden sterk toegenomen. Los van de China’s en India’s zijn er private reuzen bij gekomen als de Gates Foundation plus een grote hoeveelheid overboekingen van migranten die investeren in hun land van herkomst. En laten we vooral niet het grote aantal particuliere initiatieven vergeten, van Nederlanders en anderen die eigenhandig hun ontwikkelingsorganisaties opzetten en daarmee een signaal afgeven: we kunnen en moeten meer doen. Wie niet goed genoeg kijkt, zou denken dat door dit nieuwe geld het relatieve belang van klassieke ontwikkelingssamenwerking kleiner is geworden. Maar het totale bedrag dat naar ontwikkelingslanden vloeit, is sterk gegroeid en heeft daarmee een grotere impact. Wie daarin strategisch en met kennis opereert, boekt betere resultaten.

Nederland is dit jaar als eerste geplaatst op de ranglijst van landen met de meest effectieve ontwikkelingsamenwerking. Waaraan hebben we dat te danken? Onze consequente inzet, de vraaggestuurdheid van de hulp en onze allianties met derden: precies de drie zaken waar Van Dam voor pleit.

Vijf jaar na 9/11 zijn armoede, klimaatrisico’s en veiligheid in de wereld zo mogelijk nog onevenrediger verdeeld dan voorheen. Dit leidt tot nieuwe vormen van instabiliteit die uiteindelijk ook onze economie en veiligheid treffen. Laten we ons daarom niet afzijdig houden, maar lef koppelen aan bescheidenheid. De tijd van ouderwetse hulp die voor anderen beslist is zo goed als voorbij. Ontwikkelingssamenwerking moderniseert en is onderdeel van bredere internationale samenwerking. Ontwikkelingssamenwerking is steeds meer een zaak van iedereen.

Bert Koenders in NRC, Opinie, 03-11-2008
 
< Vorige   Volgende >
© 2017 Help Burundi - concrete ontwikkelingshulp voor Burundi - help Afrika, help Burundi, help ons mee